Vakantiedagen: uitbetalen of opnemen?

Deze zomer heb ik een luie vakantie doorgebracht op het zonnige eiland Tenerife.
Ik ben daar erg druk geweest met niets doen! Dat begon met elke ochtend uitgebreid een Nederlandse krant te lezen. Daarin viel mij op de polariserende discussie in de media over het al dan niet uitbetalen van vakantiedagen.
 
Juridische begrippen
Alle relevante juridische begrippen passeerden de revue. Wettelijke vakantiedagen, bovenwettelijke vakantiedagen, het verbod om uit te betalen, het doorschuiven van vakantierechten naar een volgend jaar, afspraken in de CAO voor de uitbetaling van bovenwettelijke vakantiedagen, het steeds duurder worden van het uitbetalen, het bijzonder tarief bij uitbetaling, verlofstuwmeren, de verlofstuwmeren vermelden op de balans als verplichting, vakantiedagen gecombineerd met ADV en seniorenverlof, etc.
 
Praktische benadering
Voor wat betreft dit onderwerp ben ik voor een praktische benadering met in het achterhoofd de bedoeling van de vakantiedagen. Toen het recht op vakantie werd opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, stond in de Memorie van Toelichting vermeld dat: ’Den arbeider betaald in staat moest worden gesteld krachten te verzamelen om na zijn vakantie het werk weer goed te kunnen verrichten voor de werkgever’.
 
Mijn praktische aanpak ziet er als volgt uit:

  1. Aan het begin van een kalenderjaar neemt de werkgever het initiatief om, in overleg met de werknemers, op basis van gelijkwaardigheid, de conceptplanning te maken van het opnemen van alle vakantiedagen voor dat jaar. Als de werkgever verstandig is, bemoeit hij zich niet met ’onderlinge afspraken tussen werknemers‘; bijvoorbeeld discussies over gezinnen met al dan niet schoolgaande kinderen.

  2. Als op moment X de conceptplanning nog niet rond is, maakt de werkgever de vakantiejaarplanning definitief, daarbij natuurlijk kijkend naar de consequenties voor de bedrijfsvoering (minimale bezetting, orders, projecten, e.d.).

  3. Uitvoering van de vakantiejaarplanning en monitoring per maand door de leidinggevenden. Bij geconstateerde afwijkingen gelijk het gesprek aangaan met betrokkenen en herstelacties plegen.

  4. Aan het eind van het jaar de ’balans opmaken‘ en bij eventuele nog uitstaande vakantiedagen gelijk afspraken maken met de medewerkers wanneer ze opgenomen worden. 

In bovengenoemde 4 stappen is alles erop gericht dat de vakantiedagen van enig jaar in dat jaar worden opgenomen.
 
Redelijke verzoeken van werkgever en werknemer
De werkgever moet oog hebben voor redelijke verzoeken van de werknemer; bijvoorbeeld als je de dagen mee wilt nemen naar volgend jaar om 2 maanden je broer in Australië te bezoeken. Maak hierover altijd concrete afspraken. Hiernaast moeten werknemers oog hebben voor redelijke verzoeken van de werkgever om geen of minder vakantie op te nemen in enig jaar in verband met specifieke bedrijfssituaties (bijvoorbeeld de splitsing van een multinational in verschillende juridische entiteiten).
 
De werkgever moet niet moeilijk doen over uitbetaling van de bovenwettelijke dagen of de consequenties van het aan een werknemer vragen een reeds geplande vakantie te veranderen.
Ik heb het zelf meegemaakt, toen ik werkzaam was in Saoedi Arabië, mijn gezin 4 weken naar Nederland terug was en ik na 1 week zou volgen. Voor ik kon vertrekken vroeg mijn werkgever of ik eerst nog beroepshalve naar Korea kon gaan en deed niet moeilijk over de meerkosten die dit met zich mee zou brengen voor mijn gezin in Nederland.
 
Tot slot: Dat uitbetaling onaantrekkelijk is in verband met het bijzonder tarief ligt niet aan een werkgever maar aan het Ministerie van Financiën, daarin moet een werkgever duidelijk zijn naar zijn werknemers.
 
Wat mij betreft moet het uitgangspunt blijven: Vakantiedagen opnemen, want daar zijn ze voor bedoeld!

Deel dit artikel

Wellicht ook interessant