Compliance met betrekking tot ATEX

Als het om compliance met betrekking tot ATEX gaat, gaan werkgevers ervan
uit dat ze moeten voldoen aan de NPR-7910. Met deze praktijkrichtlijn in de hand toetst de overheid bij bedrijven of wordt voldaan aan de ATEX-wet- en -regelgeving. De NPR 7910 is opgesteld om op generieke wijze invulling te geven aan de wijze van zoneren, zoals in de bovenliggende norm (IEC-60079-10) is beschreven. In de praktijk blijkt echter dat de NPR-7910 niet zo gemakkelijk overal toepasbaar is. En ook merken we dat de kennis, kunde en vaardigheden op het gebied van ATEX in Nederland sterk achteruithollen.

 
Aantoonbaar ‘ín control’
Het is niet makkelijk om in eerste instantie een juiste gevarenzone te bepalen, vervolgens de daarbij behorende juiste toepassing in beschermwijzen te ontwerpen en deze ten slotte in het veld te (laten) installeren. Hierbij worden veel fouten gemaakt.
 
Vanuit de Arbowet is de werkgever verplicht een explosieveilige werkplek te garanderen. Hiervoor zijn Europese Richtlijnen, Normen en Praktijkrichtlijnen (ATEX-137, ATEX-95, NEN-EN-60079 en NPR-7910) beschikbaar als handvat. In al deze toetsingskaders wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om het risico als gevolg van een explosie te verlagen tot een aanvaardbaar niveau. Compliance betekent dus dat aantoonbaar is dat een werkgever deze maatregelen heeft genomen. Maar wat nu als dit niet mogelijk is? Welke maatregelen zijn er dan voor in de plaats gekomen die zorgen voor een gelijkwaardig veiligheidsniveau? Door hierover goed na te denken en de reden van een eventuele ‘afwijking’ en gelijkwaardigheid qua veiligheidsniveau aan te kunnen tonen, kunnen bedrijven effectief sturen op compliance en participatie. Zo kunnen zij aantonen dat ze ‘in control’ zijn.
 
NPR-7910 onvoldoende toepasbaar bij Tata Steel
Bij Tata Steel in IJmuiden blijkt de NPR-7910 voor het grootste gedeelte niet toepasbaar te zijn. Daar is een flink deel van het proces te beschouwen als een bijna continu aanwezige ontstekingsbron. Denk bijvoorbeeld aan vloeibaar ruwijzer, gloeiende kooks en hete oppervlakken, open ovens, enzovoort. De NPR-7910 is een nadere invulling van de NEN-EN-60079-10, die over zoneclassificaties gaat (dus zonering en op basis daarvan de bepaling van de beschermwijze op elektrisch/mechanisch gebied).
 
Aanvullende maatregelen
In 2006 heeft Tata Steel besloten om andere en aanvullende (qua veiligheid gelijkwaardige) maatregelen te nemen om explosierisico’s te beheersen en ervoor te zorgen dat werkplekken veilig zijn voor medewerkers. Deze maatregelen zijn met name gebaseerd op het borgen van integriteit van de installatie (lekdichtheid) en procesveiligheid, die in moet grijpen op het moment dat zich onverhoopt een lekkage voor zou doen. Daarnaast is – aanvullend daarop en wanneer nodig – sterk ingezet op het borgen van voldoende ventilatie. Het resultaat is dat gevaarlijke gebieden (zones) op de meeste plaatsen worden voorkomen, simpelweg doordat het ontstaan van een explosieve atmosfeer met voldoende zekerheid wordt voorkomen. Uit wat wij als veiligheidskundigen zien bij andere bedrijven in Nederland, blijkt dat we een soort reflex hebben ontwikkeld om ons met name te richten op het voorkomen van ontstekingsbronnen, zonder dat aan de voorkant (voldoende) wordt ingezet op het voorkómen van lekkages. Dit wordt vaak al door bedrijven gerealiseerd door aandacht te geven aan de integriteit van de installatie (bijvoorbeeld voorkomen van veroudering), procesveiligheid (bijvoorbeeld gasdetectie in een ruimte, gekoppeld met het uitschakelen van de bron bij alarm) en ventilatie (waarbij bijvoorbeeld de bron wordt uitgeschakeld als de ventilatie niet of onvoldoende beschikbaar is).
 
Stofexplosierisico’s
Als het gaat over het verkleinen van stofexplosierisico, blijkt bijvoorbeeld dat in de NPR-7910-2 het verschil in explosierisico’s buiten de installatie (in gebouwen) en het inwendige van een installatie met brandbaar fijnstof op dit moment nog onvoldoende is uitgewerkt. Inwendig is er immers sprake van omsluiting en kan bij een ontbranding drukopbouw plaatsvinden, wat kan leiden tot een primaire (initiële) explosie. Buiten de installatie (in gebouwen) is eerder sprake van brandgevaar dan van explosiegevaar (immers is er geen sprake van omsluiting). Daarom zou het wellicht mogelijk zijn een grotere dikte van de stoflaag toe te staan. Wat echter niet uit het oog mag worden verloren, is dat bij onvoldoende schoonmaken én het ontstaan van een initiële explosie in een installatie het risico van secundaire explosies juist groter wordt. Uit de geschiedenis van stofexplosies blijkt dat met name secundaire explosies desastreus vernietigend zijn en vaak gewonden of zelfs doden, maar in ieder geval heel veel schade tot gevolg hebben. We merken dat er in bestaande explosieveiligheidsdocumenten in stofexplosiegebieden geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen risico’s van stof inwendig en uitwendig van installaties. Stoflagen zijn niet altijd zo risicovol als men in het algemeen zou denken op basis van de NPR-7910-2. Aan de andere kant garandeert een zone-indeling op basis van de NPR-7910-2 niet altijd voldoende zekerheid dat een secundaire stofexplosie wordt voorkomen. We moeten simpelweg met een andere blik (die van procesveiligheid) naar de installatie kijken, voordat we op basis van een zonering van een stoflaag in een ruimte een uitspraak kunnen doen over de mogelijke risico’s daarvan.
 
Ontbrandingsexperiment
Met het ontbrandingsexperiment willen we aantonen hoe (en in hoeverre) een stof reactief is, bijvoorbeeld door te kijken of er sprake is van een brand, een flashfire, of een zeer reactieve verbranding. Ook wordt getoond welke aspecten en hoeveelheden nodig zijn om tot ontbranding te kunnen komen. Uitdrukkelijk wordt aangegeven dat het ontbrandingsexperiment moet worden gezien als een aanvulling op de reeds bestaande laboratoriumtesten waar bijvoorbeeld de LEL, MIE, MIT, ST5, KSt en dergelijke worden bepaald, en alleen iets zegt over de reactiviteit buiten een omhulling van de installatie.
 
Kennis-, kundigheids- en vaardigheidsniveau
Zoals hiervoor al vermeld, maken we ons ernstig zorgen over het niveau van kennis, kunde en vaardigheden op de werkvloer, maar ook bij de personen die bezig zijn de EVD’s op te stellen. De overheid heeft steeds meer aandacht voor het uitvoeren van inspecties op het gebied van risicoanalyses en de implementatie daarvan, maar dit is niet genoeg. We vragen dringend om de awareness en kennis over de complexe materie van explosieveiligheid aan zowel de voorkant (integriteit en procesveiligheid) als aan de achterkant (voorkomen ontstekingsbronnen) op een hoger peil te brengen. Alleen zo kan de explosieveiligheid in Nederland écht worden beheerst volgens de zogenoemde Arbeidshygiënische Strategie. Het volgen van voldoende opleidingen en verkrijgen van voldoende en tijdige voorlichting en instructies zijn daarvoor in deze fase van de implementatie van de Europese ATEX-richtlijnen een eerste vereiste.
 
Auteurs: René Ubbink en Rolf van Dijk
 
Rolf en René zijn beiden lid van de werkgroepen Herziening NPR 7910-1 en -2, om hun inzichten en ervaringen te delen en een bijdrage te leveren aan de verbetering van beide deelrichtlijnen.
Voorzitter van deze werkgroepen is Gerdian Jansen, die op het ATEX-congres twee workshops verzorgt en ook daar input van de aanwezigen hoopt te krijgen voor verbetering.